patje Site Admin

Geregistreerd op: 12 Apr 2007 Berichten: 141
|
Geplaatst: 3 Jul 2007 10:30:15 Onderwerp: Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor erkenning |
|
|
VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
Het ontwerp van besluit dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, vervangt het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.
Het huidige systeem is nog grotendeels ge?nspireerd op de vroegere regelgeving vervat in het koninklijk besluit van 1968 betreffende de rijscholen, waarbij een erkenning enkel kon worden afgeleverd voor zover " het algemeen belang " dit verantwoordde, en de rijschool voldeed aan een limitatief aantal voorwaarden die worden opgesomd in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.
Aangezien de notie " het algemeen belang " echter op generlei wijze omschreven is, diende men dit criterium, bij elke concrete erkenningsaanvraag, te toetsen op basis van vooraf vastgestelde parameters (leefbaarheidsonderzoek). Na decennia leidde dit tot verstarring van het systeem en feitelijke oligopolievorming in de sector, tot abnormaal lange wachttijden voor de behandeling van nieuwe aanvragen en sinds december 1999 tot het niet langer afleveren van nieuwe erkenningen in afwachting van een nieuw besluit.
Deze regeling is bovendien in beginsel strijdig met de Europese principes van vrije vestiging en vrije mededinging.
Teneinde in de huidige maatschappelijke context aan de burger meer rechtszekerheid te verschaffen wordt voorgesteld de erkenning van de rijscholen afhankelijk te stellen van het beantwoorden aan een aantal kwalitatieve en objectieve criteria. Naast een meer transparante en vereenvoudigde procedure garandeert dit systeem anderzijds dat de aanvrager een erkenning kan verkrijgen voor zover aan de in het besluit gestelde vereisten is voldaan.
Teneinde op een correcte toepassing van de regelgeving toe te zien, als sluitsteen van het systeem, werd voor de Dienst Rijbewijs tevens de benodigde versterking voorzien van de personeelsformatie.
Bovendien worden de kwaliteitseisen verscherpt inzake de toegang tot het beroep voor de instructeurs en het leidinggevend personeel der rijscholen. Het brevet V, dat toegang geeft tot de functie van instructeur belast met het praktisch onderricht voor de categorie?n B+E, C, C+E, D, D+E alsmede van de subcategorie?n C1, C1+E, D1 en D1+E wordt ingevoerd. Ook het sanctiemechanisme wordt verfijnd, echter met oog op het eerbiedigen van de rechten van verdediging.
Teneinde geen discriminatie te genereren tussen de bestaande rijscholen en nieuwe aanvragers is voorzien dat over een tijdspanne van twee jaren alle erkende rijscholen aan de nieuwe normen dienen te voldoen en desgevallend hun erkenningsaanvraag dienen te hernieuwen.
Deze reglementering is het voorwerp geweest van een breed overleg met alle partijen die bij de opleiding van bestuurders betrokken zijn.
Deze reglementering werd aangepast aan de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, teneinde persoonsgebonden gegevens te ondervangen.
Bespreking van de artikelen
Artikel 1
In dit artikel worden een aantal benodigde begrippen omschreven voor de toepassing van het koninklijk besluit.
Artikel 2
Dit artikel voorziet dat het theoretisch en praktisch rijonderricht tegen vergoeding op een openbare plaats of op een priv? terrein slechts door een rijschool kan worden verstrekt, die daartoe door de Minister die de verkeersveiligheid tot zijn bevoegdheid heeft, is erkend.
De verplichting om houder te zijn van een erkenning is echter niet van toepassing op de instellingen, die door artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs erkend zijn om opleidingen inzake de toegang tot het rijbewijs verstrekken, te weten : het leger, de federale en lokale politie, de openbare instellingen voor beroepsopleiding en de openbare vervoersmaatschappijen. Omwille van het specifieke karakter van deze instellingen, werd het niet opportuun geacht hen te onderwerpen aan een erkenning als rijschool. Deze instellingen zijn krachtens artikel 64 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs onderworpen aan de controle van de inspectie van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
Hun programma moet voorafgaandelijk ter goedkeuring aan de Minister worden voorgelegd.
De erkenning kan worden verleend aan de in de handelsvennootschappenwet bepaalde handelsvennootschappen, of aan de natuurlijke personen.
Deze bepaling beoogt het vermijden van elke oneerlijke concurrentie tussen rijscholen. De rijscholen zullen volgens identieke kwaliteitsvoorwaarden werken.
De regering wil echter werken aan een grotere democratisering van de toegang tot het rijbewijs : bepaalde groepen van de bevolking hebben momenteel geen toegang tot commerci?le rijscholen omwille van financi?le en/of commerci?le redenen. Deze situatie heeft een negatief effect op hun sociale en professionele integratiemogelijkheden, omdat voor een aanzienlijk deel van de werkaanbiedingen het bezit van een rijbewijs vereist is. Tenslotte moet worden vastgesteld dat deze moeilijkheden inzake de toegang tot het rijbewijs bepaalde burgers er jammer genoeg toe brengen om zonder rijbewijs en zonder opleiding rond te rijden, hetgeen uitermate schadelijk is voor de verkeersveiligheid.
Daarom wil de regering, verenigingen zonder winstoogmerk of vennootschappen met sociaal oogmerk in staat stellen erkend te worden als rijschool voor welomschreven doelgroepen voor het geven van rijonderricht voor voertuigen van de categorie B.
Dit moet toelaten aan de technische scholen die opgericht zijn als V.Z.W. en vandaag erkend zijn, om hun rijschoolactiviteiten verder te zetten, als ze voldoen aan de kwaliteitscriteria vastgelegd door het huidige besluit. Deze scholen hebben zowel materi?le als personeelsinvesteringen gedaan en hebben de nodige ervaring om een opleiding die aan de kwaliteitscriteria van het huidige besluit voldoet aan te bieden. Het zou dus ongepast zijn dat de Staat niet toelaat hun rijschoolactiviteiten verder te zetten. Bovendien kunnen ze niet hun statuut in dat van een vennootschap met winstoogmerk veranderen. Het huidige besluit laat dus aan deze instellingen toe om hun rijschoolactiviteiten onder het statuut van V.Z.W. verder te zetten. Omdat het niet de wil van de regering is een markt met dergelijke instellingen te organiseren, wordt deze mogelijkheid beperkt tot de technische scholen die nu zijn erkend.
In punt b) van ? 4 beantwoordt de gebruikte definitie aan het criterium van het Europees Sociaal Fonds betreffende de werklozen van lange duur, zodat het de activiteitsgraad kan verhogen.
Wat betreft de persoonsgegevens betreffende de gezondheid werd om te antwoorden op de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, het artikel 23, ? 8, van het ontwerp vervolledigd met de verplichting de schriftelijke en uitdrukkelijke toestemming te krijgen van de betrokkene, voorwaarde voorzien voor de verwerking van persoonsgegevens betreffende de gezondheid door de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Artikel 3
De Europese richtlijn 91/439 voert het principe in van de wederzijdse erkenning van rijbewijzen van de lidstaten en introduceert daartoe de gemeenschappelijke minimumnormen waaraan de rijexamens moeten voldoen.
Gemeenschappelijke criteria voor de rijopleiding ontbreken volledig zodat zij een pure nationale materie blijft. De verscheidenheid is dan ook enorm.
Het is omdat de activiteiten van de rijscholen dusdanig verweven zijn in het Belgische systeem van rijopleiding, dat op vele domeinen fundamenteel verschilt van de opleidingssystemen toegepast in de andere lidstaten, dat het logische gevolg ervan is dat de rijschool haar activiteiten in Belgi? moet uitoefenen. Zonder dat zou het bovendien onmogelijk zijn te voldoen aan de navolgende bepalingen van het besluit.
Artikel 4
Dit artikel regelt de publiciteit betreffende het rijonderricht, teneinde een correcte informatie aan de leerlingen te bevorderen. Het gebruik van beschermde benamingen betreffende het rijonderricht wordt uitsluitend voorbehouden aan de erkende rijscholen.
Op verzoek van de Raad van State werd alinea 2 van artikel 4 geschrapt.
Artikel 5
? 1. Aan de aanvrager die de in het besluit bepaalde voorwaarden vervult, zullen worden uitgereikt : een algemene erkenning van rijschool, een exploitatievergunning van een vestigingseenheid voor elke rijschoolzetel en een goedkeuring van het oefenterrein voor elk door de rijschool gebruikt terrein voor de manoeuvers.
Dit artikel onderstreept het beginsel dat de erkenning zal afgeleverd worden van zodra de in dit koninklijk besluit opgesomde en op kwaliteitscriteria berustende objectieve voorwaarden zijn vervuld. Het criterium van algemeen belang is geschrapt en er is geen appreciatiebevoegdheid meer verleend aan de overheid die een erkenning aflevert.
Het betreft een uitbreiding van de toegang tot de betrokken sector, door een betere mededinging tussen de rijscholen door de hogere kwaliteitseisen die worden gesteld aan het gegeven rijonderricht, alsmede via een verlaging van de door de rijscholen toegepaste tarieven.
Opgelegde termijnen zijn vastgesteld zowel in hoofde van de Minister die de erkenning aflevert, als voor de aanvrager teneinde een vlotte afwerking van de procedure te bewerkstelligen.
De overheid kan de verlenging van de termijn vragen waarin hij zijn beslissing moet nemen. Hij verwittigt daarvan de kandidaat.
Indien de bevoegde overheid niet binnen de opgelegde termijn uitspraak doet, worden de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of de goedkeuring van oefenterrein geacht aanvaard te zijn.
? 2. De verschillende documenten die de aanvrager (met name de natuurlijke of rechtspersoon die een erkenning van rijschool aanvraagt) dient voor te leggen zijn opgesomd in artikel 5; zij dienen als bewijsstuk dat aan de opgelegde vereisten is voldaan.
Rekeninghoudend met de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, werd in 1? vermeld dat de voorwaarden die vereist zijn voor de leidinggevende en onderwijzende personeelsleden, deze zijn die vermeld zijn in artikelen 11 en 12.
Zo werd ook de oorspronkelijke 7? (verklaring betreffende de aard en de omvang van de andere beroepsbezigheden van de rijschooldirecteur), uit het ontwerp geschrapt.
Zolang de kruispunt databank ondernemingen niet operationeel is, zullen de documenten door de aanvrager moeten aangeleverd worden.
De bevoegde overheid kan steeds de waarheidsgetrouwheid van de verstrekte gegevens ter plaatse natrekken.
De Raad van State heeft de opmerking gemaakt dat sommige bepalingen van het ontwerp uitdrukkelijk aansluiten bij de voorschriften van de Belgische overheid, onder meer betreffende de publicatieverplichting in het Belgisch Staatsblad van de stichtingsakte van de onderneming, de RSZ-aangifte en de vermelding van het BTW-nummer. Desalniettemin is het noodzakelijk dat de administratie het nodige toezicht kan uitoefenen niet alleen op de reglementering van het rijbewijs, maar ook aangaande de reglementering op de vennootschappen, de sociale zekerheid en de BTW.
Artikel 6
Dit artikel omschrijft de inhoud van de erkenning en bepaalt in welke gevallen een nieuwe erkenningsaanvraag of een wijziging aan een erkenning dient ingediend.
Het bepaalt eveneens dat de Minister de erkenning intrekt in het geval van de definitieve stopzetting van de activiteit of in het geval van de verdwijning van elke vestigingseenheid.
Deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat rijscholen waar geen activiteiten meer plaatsvinden hun erkenning kunnen behouden, hetgeen strijdig zou zijn met een gezond bestuur van de sector.
Bij de oorspronkelijke aanvraag zullen de datum van erkenning en de afleveringsdatum van het document dezelfde zijn.
Bij elke latere wijziging zal de datum van erkenning worden hernomen terwijl de afleveringsdatum zal zijn aangepast. Dit geldt ook voor de opmerking van de Raad van State op artikel 7, infra.
Artikel 7
? 1. De voorwaarden voor het bekomen van een exploitatievergunning van een vestigingseenheid zijn eveneens bepaald, gezien eenzelfde rijschool houder kan zijn van meerdere exploitatievergunningen van een vestigingseenheid.
? 2. De inhoud van de exploitatievergunning van de vestigingseenheid die wordt afgeleverd voor elke rijschoolzetel wordt in dit artikel omschreven. De gevallen waarbij een nieuwe aanvraag voor een exploitatievergunning van een vestigingseenheid of een wijziging aan de bestaande exploitatievergunning van een vestigingseenheid dient ingediend, worden omschreven.
Er wordt verwezen naar het "uniek ondernemingsnummer" en de "vestigingseenheid", bij toepassing van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.
Het aan elke rijschool toegekend erkenningsnummer geldt voor intern gebruik tot de kruispuntbank operationeel zal worden.
Zolang de kruispunt databank ondernemingen niet operationeel is, zullen de documenten door de aanvrager moeten aangeleverd worden.
Gelet op de in artikel 2, ? 3, ? 4 en ? 5 voorziene mogelijkheid om technische scholen, verenigingen zonder winstoogmerk of vennootschappen met sociaal oogmerk te erkennen, kunnen ook de exploitatievoorwaarden daartoe worden vastgelegd.
? 3. Dit artikel bepaalt ook, dat bij definitieve stopzetting van de activiteiten van een vestigingseenheid, de Minister de exploitatievergunning van een vestigingseenheid intrekt. Deze laatste wordt eveneens ingetrokken wanneer het rijonderricht niet gestart wordt binnen de zes maanden na de toekenning van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of wanneer het onderricht er langer dan ??n jaar wordt opgeschort. Deze bepaling is ingelast om te vermijden dat rijscholen zonder enige activiteit nog hun exploitatievergunning van een vestigingseenheid kunnen behouden.
? 4. De rijschooldirecteur deelt binnen een termijn van acht dagen de tijdelijke of definitieve sluiting van de rijschool of van een vestigingseenheid mede aan de Minister of aan het bestuur.
Artikel 8
? 1. De voorwaarden voor het bekomen van een oefenterrein zijn bepaald.
? 2. De inhoud van de goedkeuring van een oefenterrein, die dient afgeleverd voor elk oefenterrein, wordt in dit artikel vastgelegd, waarbij tevens de gevallen worden bepaald waarin een nieuwe goedkeuringsaanvraag voor een oefenterrein dient ingeleid.
? 3. Dit artikel bepaalt ook, dat bij definitieve stopzetting van de activiteiten op het oefenterrein, de Minister de goedkeuring van het oefenterrein intrekt.
Artikel 9
Dit artikel stipuleert dat de toekenning en de intrekking van de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuring van het oefenterrein in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd.
Het bestuur houdt een register bij van de erkenningen van rijschool, van de exploitatievergunningen van de vestigingseenheden en van de goedkeuringen van de oefenterreinen.
Er wordt een einde gemaakt aan het huidige systeem dat houders van een erkenning in staat stelt deze over te dragen.
Artikel 10
Dit artikel bepaalt :
-retributies die dienen voldaan voor de aflevering van een erkenning van rijschool (250 EUR), van een exploitatievergunning van een vestigingseenheid (125 EUR), of voor de substanti?le wijziging van de gegevens van de erkenning of van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid (125 EUR);
- een jaarlijkse retributie per rijschool (125 EUR), per vestigingseenheid (125 EUR), en per personeelslid (50 EUR).
Deze retributies worden geheven om de kosten van administratie, controle en toezicht op de rijscholen te dekken. Het bedrag van de retributies werd opgetrokken gezien het nieuwe systeem meeruitgaven zal genereren ten laste van de Staat. Deze retributies zijn in overeenstemming met de in onze nabuurstaten gehanteerde tarieven.
Artikel 11
? 1. Elke rijschool dient een rijschooldirecteur aan te stellen die voldoet aan de in artikelen 12 en 13 gestipuleerde voorwaarden.
De functie van adjunct-rijschooldirecteur die de directeur zal bijstaan wordt door dit artikel voorzien. De aanstelling van een adjunct-directeur is verplicht gesteld van zodra de rijschool meer dan vijftien instructeurs tewerkstelt. Deze verplichting moet toelaten dat de directie een betere controle uitoefent op de werkzaamheden van de instructeurs alsmede op de kwaliteit van het rijonderricht.
Ten einde tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad van State, worden de opdracht van de directie gebundeld in ? 2 hieronder.
? 2. De rol van rijschooldirecteur is toegenomen : hij is belast met de leiding en het toezicht op de kwaliteit van het verstrekte onderricht en is bovendien verantwoordelijk voor de opleiding van de stagiaires.
De directie oefent haar hoofdberoep uit binnen de rijschool : hij moet er minstens twintig werkuren per week werken. De functie van directeur kan slechts in ??n erkende rijschool worden uitgeoefend en deze wordt aangeduid onder de personen die de rechtspersoon wettelijk kunnen vertegenwoordigen. Deze bepaling wenst "goedkope" directeurs uit te sluiten die slechts hun brevet ten dienste stellen van een rijschool zonder evenwel de functie effectief uit te oefenen.
? 3. Rekeninghoudende met de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, werd de verplichting om de in- en uitdiensttredingen van de personeelsleden mee te delen, afgeschaft. Nochtans moet de rijschooldirecteur, met het oog op vastleggen van het bedrag van de retributies voorzien in artikel 10, jaarlijks een lijst mededelen van het leidinggevend en onderwijzend personeel dat functies heeft vervuld in de rijschool.
? 4. De rijscholen kunnen enkel instructeurs aanwerven die beantwoorden aan de vereisten opgesomd in artikelen 12 en 13.
Artikel 12
? 1. Dit artikel omschrijft de vereisten die worden gesteld om een functie in een erkende rijschool te kunnen uitoefenen. Bovendien moeten de personen die de rijschool wettig vertegenwoordigen, zonder er evenwel een andere functie uit te oefenen, eveneens voldoen aan de gestelde vereiste, van niet veroordeeld zijn voor overtredingen van de bepalingen van het koninklijk besluit betreffende de rijscholen, alsmede van bepaalde bepalingen uit het Strafwetboek of uit de wegverkeerswet.
Het personeelslid legt een verklaring op eer voor, niet veroordeeld te zijn bij in kracht van gewijsde getreden vonnis.
Deze verklaring wordt in zijn persoonlijk dossier geklasseerd waarmee wordt tegemoet gekomen aan de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke levenssfeer.
Het punt 7? bepalende dat " de instructeurs een kopie geven van hun arbeidsovereenkomst, behalve indien zij bewijzen dat ze hun activiteit niet onder de toezicht van de rijschooldirecteur uitoefenen zoals voorzien in artikel 11 ", werd geschrapt teneinde rekening te houden met het advies van de Raad van State.
? 2. De directie- of instructietoelating wordt ingevoerd; deze toelating staat los van het vereiste brevet voor de uitoefening van een functie in een rijschool. Zij wordt door de Minister of zijn gemachtigde verleend nadat is vastgesteld dat aan alle daartoe gestelde eisen binnen een termijn van een maand zijn voldaan.
De aflevering van deze toelating wordt gematerialiseerd door een nationale code aan te brengen op het rijbewijs van de houder. Er wordt derhalve geen bijkomend document ingevoerd, behalve wanneer het een persoon betreft die zijn normale residentie niet in Belgi? heeft gevestigd.
De invoering van deze toelating geconcretiseerd door een code op het rijbewijs is verantwoord om de hiernavolgende redenen :
- zij laat de inspectiedienst alsmede de politiediensten toe gemakkelijker op het terrein te controleren of een persoon die rijonderricht verschaft hiertoe werkelijk is gemachtigd, alsmede aan de administratieve diensten om via het centraal bestand van de rijbewijzen na te gaan of de toelating op het document werd vermeld;
- zij kan evenzeer worden ingetrokken bij wijze van sanctie voorzien bij artikel 41 en volgende. In voorkomend geval zal het rijbewijs aan de gemeente dienen terugbezorgd dewelke aan de titularis een nieuw rijbewijs (retributie van 11 euro) zal uitreiken zonder vermelding van de code;
- de verwachte Europese richtlijn betreffende de vakbekwaamheid voorziet eveneens de vermelding van codes op het rijbewijs, ten bewijze dat aan de gestelde opleiding is voldaan.
Het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer werd niet gevolgd omwille van de redenen die hierboven werden vermeld en die de invoering van een nationale code op het rijbewijs verklaren.
De op het rijbewijs te vermelden codes staan vermeld in artikel 12 in plaats van in artikel 45 dat geschrapt werd.
Artikel 13
Dit artikel voorziet in de onverenigbaarheden tussen de functies in een rijschool en de functies in een organisme voor technische controle, een examencentrum of een controledienst, en dit om elke belangenvermenging te voorkomen.
Artikel 14
Dit artikel voert voor elke rijschooldirecteur, adjunct-rijschooldirecteurs en instructeur de verplichting in om elk jaar een bijkomende opleiding te volgen over onderwerpen die in verband staan met de onderwezen leerstof; het aantal te volgen uren hangt af van de door de belanghebbende geleverde prestaties. Het aantal opleidingsuren streeft ernaar om het ervaringsgebrek op het terrein te compenseren. Om deze reden moet het halftijds werkend personeel of het ??n vierde deeltijds werkend personeel, een groter aantal opleidingsuren volgen dan het voltijds werkend personeel of het drie vierde deeltijds werkend personeel.
Rekeninghoudend met de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, werd de inhoud van het getuigschrift afgeleverd na de opleiding in het opleidingscentrum duidelijk omschreven (vermelding van de gevolgde aantal uren cursus en van de onderwezen leerstof) evenals de periode en de plaats van bewaring van het document (rijschool waar de betrokkene zijn functies vervulde tijdens zijn opleiding).
De bijscholing van het personeel van de rijscholen is een belangrijke factor om de kwaliteit van het gegeven rijonderricht ten bate van de leerlingen te verbeteren en om de pedagogische vaardigheden van de instructeurs aan te scherpen.
Deze opleidingen zullen gegeven worden door organisaties van nationale of internationale experten. De colloquia en de seminaries worden eveneens beschouwd als opleidingen.
Artikel 15
Dit artikel voert de verplichting in om te beschikken over lokalen bestemd voor de administratie alsmede voor het onderricht; de vereisten inzake deze lokalen zijn verscherpt, ondermeer wat betreft het door de rijscholen aangewende didactische materieel (bijvoorbeeld een computer, een maquette van de belangrijkste onderdelen van het voertuig met toebehoren zoals de EHBO-tas,de brandblusser, ...) teneinde een adequate pedagogische ondersteuning te bewerkstelligen.
De notie van lokaal betekent niet automatisch dat dit lokaal afgescheiden moet worden van de anderen door muren; andere systemen kunnen aanvaard worden.
De rijschool moet het alleengebruik van de lokalen voor de administratie hebben teneinde een controle op de administratieve activiteiten van elke rijschool te vergemakkelijken; de leslokalen kunnen ook door andere zetels, of zelfs door andere rijscholen worden gebruikt op grond van contracten die op voorhand aan de administratie moeten worden medegedeeld.
Artikel 16
De verplichting om voor iedere vestigingseenheid te beschikken over een oefenterrein voor het rijonderricht der manoeuvres wordt door dit artikel ingevoerd; dit terrein dient uitgerust te zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 16, alsmede van bijlage 1.
De rijscholen dienen niet noodzakelijk eigenaar te zijn van het oefenterrein; het volstaat dat zij er de beschikking over hebben overeenkomstig een huurcontract of elke andere dienstige overeenkomst. Bovendien kan dit oefenterrein door meerdere zetels of rijscholen worden gebruikt.
Het oefenterrein dient evenwel op een maximale afstand van 20 km in vogelvlucht gelegen te zijn van de vestigingseenheid. Deze bepaling werd ingelast om het daadwerkelijk in onbruik raken en te lange verplaatsingen naar het betrokken oefenterrein te vermijden.
Artikelen 17 en 18
Elke vestigingseenheid, dient voor elke op de exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermelde onderrichtscategorie te beschikken over minstens ??n lesvoertuig.
De lesvoertuigen moeten aan de gestelde eisen voldoen, en dienen onder meer te beschikken over een dubbele inrichting met een geluidssein dat moet toelaten de tussenkomsten van de instructeur bij het examen te registreren.
Deze vereiste wordt eveneens opgelegd voor de lesvoertuigen van de categorie?n C en D en van de subcategorie?n C1 en D1 die nu ook dienen uitgerust te zijn, met een dodehoekspiegel-systeem alsmede met veiligheidsgordels zoals voorzien voor de andere lesvoertuigen.
De afschrijving van een voertuig van categorie B gebeurt over een maximumduur van vijf jaar, wat overeenkomt met de duur die erkend wordt door de belastingsadministratie.
Artikel 19
Elk lesvoertuig moet door een verzekeringspolis gedekt worden.
Artikelen 20 tot 22
Deze artikelen bepalen de regels voor het theoretische en praktische onderricht :
- bepalingen die toelaten de beoogde doelgroepen te benaderen door de theorielessen te decentraliseren en die toelaten de rijscholen te dwingen de opleidingen te verstrekken op een wijze die voldoende gespreid is over het jaar, zodat de gelijkheid van de toegang tot de lessen voldoende gewaarborgd is;
- verplichting om instructeurs aan te duiden, die houder zijn van een instructietoelating voor theorie of praktijk, of stagiairs;
- verplichting om in lokalen of op terreinen les te geven, die daarvoor erkend zijn;
- verplichting om voertuigen te gebruiken, die aan de vereiste voorwaarden beantwoorden; voor gehandicapte leerlingen zijn bijzondere regels bepaald.
Artikel 23
Dit artikel bepaalt de administratieve documenten die de rijscholen moeten bijhouden voor een doeltreffend toezicht op de werking van de school :
- een inschrijvingskaart per leerling;
- een aanwezigheidslijst voor de theoretische lessen;
- een dagelijkse fiche voor de praktische lessen;
- een jaarregister.
Rekeninghoudend met het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, werd er voorzien dat de verschillende documenten evenals de getuigschriften voorzien in ? 8, ??n jaar moeten bewaard worden (het jaarregister, 3 jaar).
De bewaring van deze documenten is nodig voor de controle door de inspecteurs van de Federale Overheid en voor het eventueel afleveren van de duplicata van de opleidingsgetuigschriften aan de leerlingen.
De documenten die de rijscholen na verloop van de lessen dienen af te leveren aan hun leerlingen worden ook bepaald.
De scholen moeten een schriftelijke overeenkomst met hun leerlingen opmaken, waarin de voorwaarden en de uitvoering van het onderricht bedongen worden, en de tarieven in hun lokalen uithangen om de leerlingen in te lichten en hen te beschermen tegen gewetensloze praktijken.
Conform de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, werd voorzien, om in overeenstemming te zijn met artikel 7 van de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dat de gehandicapten die een opleiding volgen in een rijschool zoals voorzien in artikel 2, ? 4, schriftelijk hun uitdrukkelijke toestemming moeten verlenen voor de verwerking van de persoonsgegevens betreffende de gezondheid.
Er is eveneens bepaald dat de rijscholen zoals voorzien in artikel 2, ?? 4 en 5, die persoonsgegevens betreffende de gezondheid of gerechtelijke gegevens zoals omschreven in de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zich moeten schikken naar de bepalingen van artikel 25, 26 en 27 van het koninklijk besluit van 13 februari 2001 ter uitvoering van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer betreffende de verwerking van persoonsgegevens.
Artikel 24
Om theoretisch en praktische rijlessen te geven en om een rijschool te leiden moet men houder zijn van een brevet van beroepsbekwaamheid van het leidende en onderwijzende personeel van de rijscholen.
Artikel 24 voert vijf brevetten van beroepsbekwaamheid in en meer bepaald een nieuw brevet V, dat toegang verleent tot de functie van instructeur belast met praktisch onderricht in het besturen van voertuigen van de categorie?n B+E, C, C+E, C1 en C1+E, D en D+E, D1 en D1+E. Dit brevet werd geschapen met het oog op de bijzonderheid van de te verstrekken opleiding.
Artikel 25
Dit artikel bepaalt twee manieren om een brevet te verkrijgen :
- slagen in de door het koninklijk besluit bepaalde examens;
- gelijkwaardigheid van het diploma of getuigschrift, dat door een andere lidstaat van de Europese economische ruimte op grond van de richtlijn 92/51/EEG werd afgegeven. Deze kandidaten moeten daarenboven het bewijs leveren van de kennis van ??n van de drie landstalen.
Artikelen 26 tot 32
Het examen bestaat uit een schriftelijke en een mondelinge proef en uit een modelles, behalve voor brevet I, die gaan over de in bijlage 2 bij het besluit opgesomde leerstof. Die leerstof werd aangepast en vervolledigd; er werd meer bepaald rekening gehouden met de richtlijn 2000/56 betreffende het rijbewijs, dat de vereisten voor de theoretische en praktische examens voor de verkrijging van een rijbewijs wijzigt.
Bovendien bevat het examen voor brevet V (vrachtwagens en autobus en aanhangwagens) een behendigheidsproef op priv?-terrein; het werd aangewezen geacht om deze proef die al voor het brevet IV bestond, in te voeren om te verzekeren dat de kandidaten geschikt zijn om deze categorie?n van voertuigen te besturen.
De toegangsvoorwaarden voor de examens werden vastgesteld, onder andere de verplichting om de modelles te geven tijdens de geldigheidsduur van het stageattest.
De mogelijke vrijstellingen voor een kandidaat worden nader bepaald alsook het puntenaantal voor elk vak met inbegrip van het vereiste slaagpercentage.
Het brevet wordt na het slagen in de verschillende proeven afgegeven door de examencommissie, die door het besluit ingesteld wordt.
De reglementaire basis die toelaat de ontwikkeling aan te moedigen van een werkelijke gelijkheid van kansen in de toegang tot het beroep van instructeur is opgenomen in ? 2 van artikel 26. Zo staat immers voor alle burgers de mogelijkheid open om toegang te hebben tot dit beroep door middel van een beroepsopleiding die wordt georganiseerd door de bevoegde overheden, waarbij de samenhang van de inhoud van deze toegang tot het beroep gewaarborgd is.
Deze beroepsopleiding kan verschaft worden door de openbare instellingen (VDAB, FOREm, IBFFP, Arbeitsamt) of door erkende instellingen.
Artikel 33
Er werd een nieuwe procedure voor het behalen van de brevetten ingesteld : de kandidaat moet in de schriftelijke en mondelinge proef slagen en vervolgens een stage doen.
Bij afloop van de stage moet hij een modelles geven. Deze wijziging laat enerzijds de kandidaat toe zich op zijn modelles voor te bereiden en maakt het anderzijds mogelijk om de aanwerving van voorlopige instructeurs af te schaffen, die konden les geven zonder houder van een brevet te zijn.
De kandidaat die een beroepsopleiding heeft gevolgd in het kader van de bepalingen van artikel 26, ? 2, zal beschikken over de grondslagen die nodig zijn voor het uitoefenen van het beroep en heeft dus geen langdurige stage nodig om het overeenstemmende brevet te kunnen behalen. In zijn geval heeft de stage als doel deze opleiding af te ronden met een kennismaking met de werkelijke situatie in een rijschool.
De kandidaat voor een brevet II, III, IV en V moet een stage doen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 33; de stage-uren werden verhoogd om hem nog meer met de bijzonderheden van het beroep vertrouwd te maken en om zijn opvoedkundige kennis te toetsen. Het stageprogramma is vastgesteld.
Om de stagiair beter te kunnen volgen werd de functie van stagemeester ingevoerd; deze functie mag slechts worden uitgeoefend door een directeur, een adjunct-directeur of een instructeur die minstens twee jaar houder van het vereiste brevet is. Bovendien wordt het aantal stagiairs beperkt om te voorkomen dat de rijscholen systematisch een beroep doen op instructeurs die geen brevet hebben en om de stagiairs beter op te leiden.
De stagiair moet een formulier " stageverloop " bijhouden, dat de gegevens weergeeft over de praktische opleiding en het met of zonder toezicht verstrekte onderricht.
De directeur of de adjunct-directeur van de rijschool geeft een stageattest af, dat bevestigt dat de kandidaat aan de stagevoorwaarden voldoet en waardoor het bestuur kan nagaan of de vereisten betreffende de stage wel vervuld zijn. Dit attest verliest zijn geldigheid na twee jaar of na drie mislukkingen voor de modelles. In dit geval moet de kandidaat de hele procedure overdoen.
Artikelen 34 tot 38
De examencommissie voor de brevetten van beroepsbekwaamheid is samengesteld uit door de Minister voor een periode van vijf jaar benoemde leden. De benoeming is hernieuwbaar. De termijn van een mandaat werd beperkt om het mogelijk te maken de samenstelling van de commissie volgens de behoeften aan te passen.
Daarnaast werd van rechtswege een einde gesteld aan de functies van de commissieleden die 70 jaar worden.
De leden van de commissie, de secretarissen en de helpers worden vergoed met toelagen ten laste van de Schatkist, waarvan de bedragen in overeenstemming werden gebracht met de bedragen van de toelagen die bepaald werden in het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel en die aan de leden van de selectie- en aanwervingscommissies van SELOR toegekend worden.
De helpers van de commissie staan de jury bij in de organisatie van de modellessen en vervullen de rol van leerlingen.
De organisatie van de examens komt aan de Minister of zijn gemachtigde toe.
De vergoedingen worden toegekend per examen. Een examen duurt een half uur.
Het inschrijvingsrecht voor de examens wordt op 25 euro vastgesteld en kan in geen geval terugbetaald worden. De Minister legt de betalingsmodaliteiten vast.
Artikelen 39 en 40
De rijscholen moeten de instructies van de Minister of zijn gemachtigde volgen.
Er worden ambtenaren en beambten speciaal aangesteld om te zorgen voor het toezicht op de naleving van de reglementaire bepalingen.
Om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer werd de mogelijkheid zich te laten bijstaan door deskundigen die niet tot het bestuur behoren geschrapt.
Wat betreft de reglementering van de inspecties en het respect voor de zwijgplicht, deze dienen niet omschreven te worden in het voorliggend besluit daar ze deel uitmaken van de algemene gedragscode van de rijksambtenaar.
De instructietoelating en de stagetoelating moeten voorgelegd worden aan de bevoegde ambtenaren en beambten, die voor het nazien van de scholen aangesteld zijn.
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, werd eveneens voorzien dat de voornoemde personen gehouden zijn aan de zwijgplicht.
De Minister of zijn gemachtigde kan de houders van een toelating om te onderrichten verplichten om een medisch onderzoek te ondergaan. Indien de geneesheer tot niet geschiktheid besluit wordt de instructietoelating geschorst. De schorsingsmaatregel wordt opgeheven op voorlegging van een nieuw medisch attest.
Deze maatregelen zullen zo helpen voorkomen dat de instructeurs die de noodzakelijke lichamelijke of geestelijke geschiktheid niet meer hebben, nog langer hun beroep zouden uitoefenen.
Artikel 41
Dit artikel bepaalt de mogelijkheid voor de Minister om de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of de goedkeuring van een oefenterrein op te schorten of in te trekken wanneer de bepalingen van de hoofdstukken IV en V van het koninklijk besluit niet worden nageleefd.
Om de rechten van de verdediging te verzekeren, moet de directeur en eventueel de instructeur op voorhand worden gehoord.
Om de proportionaliteit van de sancties te waarborgen en elke willekeur te vermijden, kan een intrekkingsmaatregel slechts worden genomen indien deze werd voorafgegaan door een schorsingsmaatregel met een duur die gelijk is aan minstens een derde van de maximaal toegestane duur. Indien deze schorsing niet toeliet de toestand te regulariseren, kan een intrekking worden overwogen.
Om de doeltreffendheid van de maatregel te waarborgen, mag de houder van de opgeschorte of ingetrokken erkenning geen nieuwe aanvraag indienen. Bovendien moet de beschikking tot opschorting of intrekking uitgehangen worden om voor een voldoende openbaarheid in het belang van de leerlingen te zorgen.
Artikel 42
Dit artikel bepaalt de mogelijkheid voor de Minister of zijn gemachtigde om de instructie- of directietoelating in te trekken of op te schorten voor een termijn van minstens 8 dagen en hoogstens 2 jaar wanneer de bepalingen van de hoofdstukken IV en V van dit besluit niet worden nageleefd.
Net als in artikel 41 is voorzien in het principe van de proportionaliteit van de straffen.
Om voor de naleving van de rechten van verdediging te zorgen, moet de belanghebbende en in voorkomend geval de directeur op voorhand worden gehoord.
Dit artikel stelt eveneens de gevolgen van een intrekking of opschorting vast.
Artikel 43
Er wordt een procedure ingevoerd om een personeelslid wiens gedrag een onmiddellijk vertrek rechtvaardigt te kunnen verwijderen. De rechten van de verdediging en het principe van het vermoeden van onschuld worden gevrijwaard.
Artikel 44
Om de belangen van de leerlingen te beschermen, worden de scholen verplicht om de lesuren en examengelden terug te betalen voor elk onderricht, dat gegeven werd door een instructeur die niet aan de voorwaarden van het besluit voldoet.
De leerlingen mogen inderdaad in geen geval het slachtoffer worden van onreglementaire praktijken van de rijscholen.
Artikel 45
Het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen wordt opgeheven evenals het ministerieel besluit van 24 april 1968.
Artikel 46
Dit artikel voorziet een overgangsperiode van 2 jaar tijdens dewelke de termijn voor het leveren van erkenningen aan rijscholen, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuringen van oefenterrein, teruggebracht wordt op 6 maanden. Deze overgangsperiode is noodzakelijk voor de administratie om de aanvragen te behandelen die lopende zijn bij het aannemen van dit besluit en de nieuwe aanvragen die veroorzaakt zijn door de openstelling van de markt van rijscholen.
Artikel 47
1? De bestaande erkenningen moeten overeenkomstig de bepalingen van het huidig koninklijk besluit hernieuwd worden.
2? De houder van de erkenning moet een erkenningsaanvraag indienen binnen de drie jaar vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit en overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit; hij zal alle door het nieuwe besluit bepaalde voorwaarden moeten vervullen. De hernieuwing zal ambtshalve toegekend worden, als alle voorwaarden daadwerkelijk vervuld zijn.
Bij gebrek aan hernieuwing binnen de opgelegde termijn wordt de bestaande erkenning nietig.
Het doel van deze bepaling is het statuut van de rijscholen eenvormig maken, zodat voor de toekomst alle scholen zonder onderscheid aan de bepalingen van het nieuwe besluit onderworpen zijn.
Artikel 48
1? De huidige reglementering bepaalt de mogelijkheid dat de instructeurs die nog geen brevet hebben gedurende hoogstens negen maanden theoretische en praktische lessen geven. Deze mogelijkheid werd geschrapt, maar de instructeurs die op de datum van inwerkingtreding in dienst zijn, zullen verder les mogen geven gedurende negen maanden na hun aanwerving.
2? De houders van een voor de inwerkingtreding van het besluit afgegeven brevet II (praktijkinstructeur) zullen binnen de twee jaar (instructeur vrachtwagen en autobus) kunnen verkrijgen, zonder de overeenkomstige examens af te leggen.
Deze maatregel wordt gerechtvaardigd doordat voor de inwerkingtreding de houders van brevet II alle categorie?n van voertuigen, uitgezonderd de categorie A, konden onderrichten.
3? De houders van voor de inwerkingtreding van het besluit afgegeven brevetten moeten binnen de twee jaar na de inwerkingtreding van onderhavig besluit de directie- of instructietoelating op hun rijbewijs laten vermelden. Zij dienen daartoe een schriftelijk verzoek in bij de Minister of zijn gemachtigde vergezeld van de bewijsstukken dat aan de voorwaarden van artikel 12 is voldaan.
4? De examenstof om een brevet te verkrijgen werd veranderd. Toch zullen de examens tot 30 maart 2005 gaan over de in de oude reglementering bepaalde leerstof.
5? Gezien de mandaten van de leden van de examencommissie tot vijf jaar beperkt worden, zullen de nu benoemde leden gedurende een periode die eindigt twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit in functie blijven, tenzij ze voor die datum 70 jaar worden.
Dit is het voorwerp van besluit dat aan de handtekening van Uwe Majesteit voorgelegd wordt.
ADVIES 34.624/4 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE
De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 24 december 2002 door de Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer verzocht haar, binnen een termijn van ten hoogste een maand, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen", heeft op 12 februari 2003 het volgende advies gegeven :
Algemene opmerking
Volgens artikel 3 van het ontwerp dient de rijschool over minstens ??n exploitatiezetel in Belgi? te beschikken.
De artikelen 49 (ex-artikel 59) en 50 (ex-artikel 60), derde alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verbieden elke discriminatie van een dienstverrichter op grond van zijn nationaliteit of zijn woonplaats. Krachtens de artikelen 45 (ex-artikel 55) en 55 (ex-artikel 66) zijn de bepalingen betreffende het vrij verrichten van diensten niet van toepassing op de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag, zelfs indien ze slechts voor een bepaalde gelegenheid geschieden, maar zulks is in casu niet het geval. Ook krachtens de artikelen 46 (ex-artikel 56) en 55 (ex-artikel 66) zijn onderscheiden regelingen mogelijk wanneer die uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn.
Andere bepalingen van het ontwerp haken uitdrukkelijk aan bij de voorschriften van de Belgische overheid, inzonderheid de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de oprichtingsakte van de onderneming (artikel 5, ? 2, tweede lid, 7?), de verklaring van de RSZ (artikel 5, ? 2, tweede lid, 9?) en de vermelding van het BTW-nummer (artikel 6, ? 1, 4?).
Gelet op de aard van de werkzaamheid, die verband houdt met het afgeven van het rijbewijs, wordt de steller van het ontwerp verzocht die vereisten te rechtvaardigen in het licht van de uitzonderingen die krachtens de voormelde artikelen 46 en 55 toegestaan zijn op de Europese beginselen van non-discriminatie en van vrijheid van dienstverlening.
Bijzondere opmerkingen
Aanhef
In het eerste lid dient inzonderheid te worden verwezen naar artikel 23, ? 3, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, welke bepaling als volgt luidt : "De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de scholen voor het besturen van motorvoertuigen moeten voldoen met het oog op het vervullen van de taken die Hij vaststelt. "
Dispositief
Artikel 4
Het tweede lid, waarbij het gebruik van bepaalde benamingen verboden wordt aan andere instanties dan die bedoeld in het eerste lid en aan andere personen dan de houders van een directie- of instructietoelating, gaat verder dan de machtiging die vervat is in artikel 23, ? 3, van de voormelde wet van 16 maart 1968. Zij vormt een beperking van de vrijheid van derden die in de wet zelf moet worden opgenomen.
HOOFDSTUK III. - Procedure tot verkrijgen en tot intrekken van de erkenning van rijschool
Uit artikel 15, ? 1, tweede lid, en artikel 17, ? 1, eerste lid, van het ontwerp volgt dat de exploitatiezetel een vergunning kan krijgen voor slechts een aantal vormen van onderricht. Als zulks de bedoeling van de steller van het ontwerp is, dient die precisering in hoofdstuk III te worden opgenomen.
Volgens de gemachtigde ambtenaar zou ook de erkenning van rijscholen slechts voor een aantal vormen van onderricht verleend kunnen worden. Ook dat dient in de ontworpen tekst gepreciseerd te worden.
Bijgevolg dient in de erkenning en de exploitatievergunning te worden vermeld voor welke onderrichtscategorie ze worden verleend. Artikel 6, ? 1, en artikel 7, ? 1, dienen bijgevolg te worden aangepast.
Artikel 5
1. Artikel 5, ? 2, tweede lid, 1?, van het ontwerp bepaalt dat de aanvrager bij de aanvraag "de bewijsstukken van het gebruiksrecht van het lokaal" dient te voegen. Krachtens het tweede lid, 3?, dient "een afschrift van de huur- of de gebruiksovereenkomst (te worden bijgevoegd), als de rijschool geen eigenaar is".
Het staat weliswaar aan de Koning om zich ervan te vergewissen dat de werkzaamheden van de rijscholen plaatsvinden in geschikte lokalen en om de criteria daarvoor te bepalen in de vorm van voorwaarden voor de erkenning van die scholen, maar Hij mag zich daarentegen niet moeien met de herkomst van de eigendom van de onroerende goederen die deze scholen gebruiken.
De uitdrukkingen "evenals de bewijsstukken van het gebruiksrecht van het lokaal" en "een afschrift van de huur- of de gebruiksovereenkomst, als de rijschool geen eigenaar is" dienen bijgevolg te vervallen.
Deze opmerking geldt mutatis mutandis eveneens voor artikel 7, ? 2, tweede lid, 1? en 3?, en artikel 8, ? 2, tweede lid, 2?.
2. In paragraaf 2, tweede lid, 4?, moet worden gepreciseerd of de lokalen waarvan sprake is alleen de leslokalen zijn dan wel of ook het lokaal voor het beheer van de school daarbij hoort.
Deze opmerking geldt eveneens voor artikel 7, ? 2, 4.
3. Wat paragraaf 2, tweede lid, 7?, betreft, vraagt de afdeling Wetgeving van de Raad van State zich, in het licht van het beginsel van behoorlijk bestuur, af of het redelijk is dat een overheidsbestuur eist dat bij een aanvraagformulier "de oprichtingsakte van de onderneming... en ook de wijzigingen (ervan)" word en gevoegd, terwijl de wetgever voor de openbaarheid van die akten een algemene regeling heeft getroffen in het Wetboek van vennootschappen, inzonderheid in de artikelen 67 en volgende ervan (1).
Artikel 6
1. De Raad van State vraagt zich af waarmee de woorden "(het) organisatienummer van de rechtspersoon of van de natuurlijke persoon" in paragraaf 1, 7?, en in paragraaf 2 overeenstemmen.
(1) Voor verenigingen zonder winstoogmerk zal een soortgelijke regeling gelden zodra de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen in werking zal zijn getreden.
2. Volgens de gemachtigde ambtenaar zou in paragraaf 1, 9?, de oorspronkelijke datum van erkenning worden bedoeld en in paragraaf 1, 10?, de datum van afgifte van het laatste stuk waarin de erkenning wordt vastgesteld. Die datums kunnen verschillen wanneer een duplicaat is afgegeven of de erkenning gewijzigd is.
Het ontwerp dient preciezer te worden gesteld opdat die bedoeling beter tot uiting komt.
Deze opmerking geldt mutatis mutandis eveneens voor artikel 7, ? 1, 7? en 8?, en voor artikel 8, ? 1, 6? en 7?.
Artikel 7
1. Wat paragraaf 1, eerste lid, betreft, vraagt de Raad van State zich af wat het verschil is tussen "het stamnummer van de uitbatingszetel", waarvan in onderdeel 4? sprake is, en "het unieke identificatienummer voor de exploitatiezetels en voor de technische bedrijfseenheden", waarvan in onderdeel 9? sprake is.
Voorts wordt het begrip "technische bedrijfseenheid" in het ontwerp geenszins gedefinieerd.
2. Wat in paragraaf 1, eerste lid, 5?, bedoeld wordt met de "uitbatingsvoorwaarden", moet, op zijn minst in het verslag aan de Koning, worden gepreciseerd.
3. In paragraaf 3 staat dat de minister de exploitatievergunning intrekt. Het verslag aan de Koning moet worden gecorrigeerd, door daarin de woorden "of zijn gemachtigde" te schrappen.
Deze opmerking geldt eveneens voor artikel 8, ? 3.
Artikel 10
1. In paragraaf 1 dient het woord "nieuwe" als overbodig te vervallen.
2. In het Frans krijgt het woord "euro" in het meervoud een s. Deze opmerking geldt eveneens voor de rest van het ontwerp.
Artikel 11
1. In paragraaf 1 wordt een van de voorwaarden voor de erkenning - de aanstelling van een rijschooldirecteur in elke rijschool - verward met de taken die deze directeur dient te vervullen zodra hij aangesteld is. Het vervullen van die taken kan slechts een voorwaarde zijn voor het behoud of de verlenging van de erkenning.
De twee soorten regels moeten beter uit elkaar worden gehouden.
2. Paragraaf 1, vierde lid, behoort als volgt te worden gesteld :
" De directeur van de rijschool is de natuurlijke persoon aan wie de erkenning is verleend of, als de erkenning is verleend aan een rechtspersoon, de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt of een van de natuurlijke personen die de rechtspersoon, alleen of gezamenlijk, vertegenwoordigen ".
3. In paragraaf 1, vierde lid, in fine, staat dat "de rijschooldirecteur (...) als enige belast (is) met de vertegenwoordiging van de rijschool voor de bepalingen van dit besluit". Die bepaling mag evenwel niet tot gevolg hebben dat afgeweken wordt van de regels van het Wetboek van vennootschappen die op de vertegenwoordiging van vennootschappen betrekking hebben. In dat opzicht gaat deze bepaling de in de wet vervatte opdracht van bevoegdheid te buiten en dient ze te vervallen.
Artikel 12
1. Gelet op het gewicht van de beslissing waarvan sprake is in paragraaf 1, eerste lid, 3?, tweede lid, moet die beslissing door de minister en niet door zijn gemachtigde worden genomen.
2. In paragraaf 1, eerste lid, 7?, is sprake van instructeurs die "bewijzen dat zij hun activiteit niet onder (het) toezicht van de rijschooldirecteur uitoefenen zoals (bepaald) in artikel 11".
Deze bepaling kan niet worden aanvaard. De wet waarbij de Koning gemachtigd wordt om de erkenning van rijscholen te regelen, verleent Hem niet de bevoegdheid om op grond daarvan de verplichting op te leggen om de individuele arbeidsverhoudingen mee te delen. Zulk een bepaling gaat die machtiging te buiten en dient te vervallen.
Artikel 14
In paragraaf 3, derde lid, moet worden gepreciseerd volgens welke procedure de getuigschriften door de minister of zijn gemachtigde "geweigerd" worden.
Artikel 15
In paragraaf 1, tweede lid, dient de steller van het ontwerp aan te geven dat "de onderrichtscategorie A" een van de onderrichtscategorie?n is waarvan sprake is in artikel 16, ? 1.
Overigens worden exploitatiezetels niet "erkend", maar wordt daarvoor een vergunning verleend.
Artikel 20
Volgens het tweede lid kan de minister of zijn gemachtigde de spreiding van de lessen in de tijd vastleggen.
Aan de gemachtigde van de minister mag evenwel geen enkele regelgevende bevoegdheid worden verleend.
Artikelen 20 tot 22
Verschillende regels die in het verslag aan de Koning aangekondigd worden, komen niet voor in de tekst van het ontwerp. Dit is het geval met de verplichting voor de rijscholen om de tijdschema's en lesroosters mee te delen of met het verbod om rekening te houden met door de leerling gevolgde gemeenschappelijke lessen, voor de berekening van het door de regelgeving bepaalde minimumaantal uren (2).
Deze tegenstrijdigheid dient te worden weggewerkt.
Artikel 25
Artikel 25, eerste lid, 2?, bepaalt dat de brevetten worden uitgereikt " op grond van de gelijkwaardigheid van de diploma's of getuigschriften, die door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgegeven werden in toepassing van de richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van diploma's van het hoger onderwijs inzake beroepsopleidingen met een minimale duur van drie jaar, zoals gewijzigd door richtlijn 92/51/EEG. "
Het is onaanvaardbaar de aangelegenheid te regelen via verwijzing naar een richtlijn. Het ontwerp zelf dient de regels te bepalen waarmee kan worden gezorgd voor gelijkwaardigheid van de getuigschriften, overeenkomstig het Europese recht.
Bovendien is in het onderhavige geval richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG, die richtlijn 89/48/EEG aanvult, van toepassing, en niet de voormelde richtlijn 89/48/EEG.
Ten slotte dient voor andere aspecten van de regelgeving, bijvoorbeeld wat de getuigschriften van goed zedelijk gedrag betreft, eveneens te worden gezorgd voor gelijkwaardigheid.
(2) Deze bepaling kan logischerwijs alleen op de collectieve praktijklessen voor het rijden met motoren betrekking hebben.
Artikel 26
1. Er wordt voorgesteld het tweede lid van paragraaf 1, dat weinig expliciet is, te schrappen en paragraaf 1, in fine, als volgt te stellen :
" (...) en de vaardigheid om deze kennis in praktijk te brengen en over te dragen".
2. Voor paragraaf 2, eerste lid, wordt voorgesteld te schrijven :
" (...) een voorafgaande opleiding plaatsvinden, waarvoor de minister de leerstof bepaalt".
Het tweede lid dient te vervallen omdat het de bevoegdheid van de federale overheid overschrijdt.
Artikel 31
De Raad van State vraagt zich af of de volgende tekst van paragraaf 2, tweede zin, niet beter zou overeenstemmen met de bedoeling van de steller van het ontwerp :
" De kandidaat die geen 60 % van de punten behaalt voor elk van deze examenonderdelen voor het vak (verder zoals in het ontwerp) ".
Artikel 33
1. In paragraaf 3, eerste lid, dient te worden bepaald dat de adjunct-directeur eveneens stagemeester kan zijn.
2. Paragraaf 4, vijfde lid, bepaalt dat de minister of zijn gemachtigde, in sommige omstandigheden, een instructeur kan verbieden om stagemeester te worden. Deze beslissing dient te worden genomen door de minister zelf, nadat de instructeur vooraf gehoord is.
Voorts kan het niet naleven van de verplichtingen vervat in het eerste, tweede, derde en vierde lid geen grond opleveren voor een verbod om stagemeester te worden, maar alleen voor een verbod om het te blijven.
Ten slotte dienen de woorden "als er niet voldoende waarborgen zijn dat betrokkene de verplichtingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid naleeft" te worden vervangen door de woorden "als hij de verplichtingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid niet naleeft".
3. In paragraaf 4, zesde lid, van het ontwerp dient te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden de minister of zijn gemachtigde een rijschool kan verplichten om stagiairs aan te nemen.
4. In tegenstelling tot wat in het verslag aan de Koning wordt vermeld, wordt in het ontwerp niet bepaald dat het stageattest kan worden afgegeven door de adjunct-directeur van de rijschool.
Artikel 34
1. Volgens de gemachtigde ambtenaar strekt paragraaf 2, eerste lid, tweede zin, ertoe de gelijktijdige verlenging van het mandaat van alle leden van de examencommissie mogelijk te maken.
Het is beter het volgende te schrijven :
"Wanneer in de examencommissie een mandaat onbezet raakt, blijft de persoon die in de loop ervan benoemd wordt, benoemd voor de overblijvende duur. ".
Dezelfde opmerking geldt eveneens voor paragraaf 3, tweede lid, derde zin.
2. Er dient te worden gepreciseerd, op zijn minst in het verslag aan de Koning, wat de "helpers van de examencommissie" zijn waarvan sprake is in paragraaf 3, tweede lid.
3. Er bestaat een tegenstelling tussen artikel 34, ? 1, derde lid, dat bepaalt dat "het huishoudelijk reglement van de examencommissie wordt bepaald door de minister", en artikel 36, dat bepaalt dat "de kamers (...) in gemeenschappelijk overleg hun huishoudelijk reglement vast(stellen), dat door de minister of zijn gemachtigde moet goedgekeurd worden".
In ieder geval dienen de woorden "of zijn gemachtigde" te vervallen.
Artikel 39
1. In paragraaf 1, eerste lid, is het verkieslijk het volgende te schrijven :
" De rijscholen volgen de instructies die hun door de minister of zijn gemachtigde worden gegeven om een einde te maken aan de schending van de regelgeving. "
2. De mogelijkheid om bescheiden in beslag te nemen, waarvan sprake is in paragraaf 1, tweede lid, in fine, dient in de wet, en niet in een uitvoeringsbesluit te worden vastgelegd.
3. In paragraaf 2 is sprake van "de in ? 1, tweede lid, bedoelde ambtenaren en beambten".
In paragraaf 1, tweede lid, staat "de door de minister of zijn gemachtigde speciaal aangewezen ambtenaren of beambten".
De aanstelling van ambtenaren of beambten belast met de controle op de toepassing van de wet mag niet aan de gemachtigde van de minister worden toevertrouwd.
4. In paragraaf 2 is, in tegenstelling tot het verslag aan de Koning, geen sprake van de "directietoelating". Deze tegenstrijdigheid dient te worden weggewerkt.
Artikel 40
1. In het ontwerp zelf dient te worden aangegeven in welke gevallen de bewuste personen een geneeskundig onderzoek moeten ondergaan.
2. Het tweede lid bepaalt dat
" De instructietoelating wordt geschorst, zodra de geneesheer de ongeschiktheid van de betrokkene vaststelt. "
In het project dient te worden gepreciseerd hoe deze schorsing ten einde loopt.
Artikel 42
1. Het vierde lid bepaalt dat gedurende de schorsingsperiode van de directietoelating of wanneer de rijschooldirecteur niet meer aan de voorwaarden van de artikelen 12 en 14 voldoet, geen enkele theoretische of praktische lessenreeks mag beginnen. Volgens de gemachtigde ambtenaar dient deze laatste situatie te worden geconcretiseerd in de vorm van een schorsingsbeslissing. Indien dit de bedoeling van de steller van het ontwerp is, moeten de woorden "of wanneer de rijschooldirecteur niet meer aan de voorwaarden van de artikelen 12 en 14 voldoet" als overbodig vervallen.
2. In hetzelfde vierde lid, in fine, zijn de woorden "zodra een nieuwe rijschooldirecteur aangesteld is" te restrictief. Het is immers mogelijk dat na een schorsingsperiode dezelfde directeur zijn activiteit hervat.
Artikel 43
Het is overbodig in het eerste lid gewag te maken van een gemotiveerde - beslissing. Deze verplichting vloeit reeds voort uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
De duur van de onmiddellijke schorsing - 10 dagen - is overigens te lang. Deze schorsing mag slechts zolang duren als strikt noodzakelijk is om een gewone schorsingsprocedure, die het horen van de betrokkene omvat, in gang te zetten.
Artikel 44
De woorden "een niet aan de voorwaarden van dit besluit beantwoordende" dienen te worden vervangen door de woorden "die niet beschikt over een instructietoestemming of wiens instructietoestemming geschorst is". Het begrip "voorwaarden van dit besluit" is immers niet alleen te ruim, maar de vraag rijst wie zal bepalen dat een instructeur niet meer aan deze voorwaarden voldoet. Een zodanige rechtsonzekerheid is ontoelaatbaar, des te meer daar ze voor de leerlingen ernstige gevolgen meebrengt.
De woorden "in voorkomend geval" in de tweede zin dienen in ieder geval te vervallen.
Artikel 46
Het vierde lid van paragraaf 1 is een herhaling van het eerste lid van dezelfde paragraaf en dient te vervallen.
Artikel 47
Het is de Raad van State niet duidelijk om welke reden houders van een brevet I dat op de dag van de inwerkingtreding van het besluit niet gehomologeerd is, geen stage hoeven te doen.
Vormopmerkingen
Globaal genomen behoeft de Nederlandse tekst van het ontwerp verbetering uit een oogpunt van wetgevingstechniek en correct taalgebruik. Onder voorbehoud van de vorenstaande inhoudelijke opmerkingen en bij wijze van voorbeeld worden de volgende opmerkingen gemaakt, respectievelijk tekstvoorstellen gedaan.
Aanhef
Overeenkomstig de wetgevingstechnische formules schrijve men : "Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting... ".
Dispositief
Artikel 1
In onderdeel 5? schrijve men : "5? "erkenning van rijschool" : de toestemming van de minister om een rijschool te exploiteren;".
Het zou beter zijn om in heel het ontwerp de termen "uitbaten, uitbating" te vervangen door de termen "exploiteren, exploitatie".
In onderdeel 8? schrijve men : "8? "directie- of instructietoestemming" : de toestemming (...) te geven. ".
In heel het ontwerp zou de term "toelating" vervangen moeten worden door het woord "toestemming".
Artikel 2
In paragraaf 3, a), is de term "genieters" niet correct gebruikt. Men schrijve : "a) degenen die leefloon ontvangen of evenwaardige sociale bijstand genieten;".
Artikel 4
Het woord "organismen" zou vervangen moeten worden door het woord "instellingen". Deze opmerking geldt voor heel het ontwerp.
Artikel 5
Paragraaf 1, eerste lid, zou als volgt gesteld moeten worden :
" Indien de (...) zijn vervuld, geeft de minister (...) binnen drie maanden (...) af, alsook de(...) exploitatievergunning (...) oefenterrein. "
In paragraaf 2, tweede lid, 9?, schrijve men "ten aanzien van" in plaats van "ten overstaan van" en in het derde lid "op gepaste wijze" in plaats van "op afdoende wijze".
De kamer was samengesteld uit :
De heer P. Li?nardy, staatsraad, voorzitter;
De heer P. Vandernoot en Mevr. M. Baguet, staatsraden;
De heer F. Dehousse, assessor van de afdeling wetgeving;
Mevr. C. Gigot, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door de heer A. Lef?bvre, auditeur. De nota van het Co?rdinatiebureau werd opgesteld door de heer Y. Chauffoureaux, adjunct-referendaris.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Li?nardy.
De griffier,
C. Gigot.
De voorzitter,
P. Li?nardy. |
|